Tekst Hedwig Speliers 2014

De tomeloos repetitieve verbeeldingswereld van Jook, alias Joke Neyrinck 
In het begin van de 20ste eeuw hadden Dada en het kubisme de klassieke beeldvoorstelling verdrongen en sinds Jean Debuffet in 1945 de art brut heeft gedefinieerd als een spontane, onartistieke kunst is het beeld volledig uit zijn voegen gaan barsten. Tegen het einde van de 20ste eeuw hebben die stormachtige transformaties zich verder gezet. De installatie verdrong de beeldhouwkunst, de videokunst duwde het schilderij opzij. 
Na de eeuwwisseling deed de computer zijn rechten gelden. De beeldende kunst evolueerde in digitale richting. Nog heel recent toonde David Hockney zowel in de Royal Academy of Arts in London, in het Guggenheimmuseum te Bilbao en in het Museum Ludwig te Köln naast zijn traditionele, met verf op doek geschilderde landschappen, een schitterende reeks van 51 iPad-tekeningen op papier in groot formaat uitgeprint.
De originaliteit van de jonge beeldende kunstenares Jook − kunstenaarsnaam van Joke Neyrinck − ligt in het verlengde van deze nieuwe evolutie. Met digitale technieken slaagt zij erin om haar emoties te reguleren en haar verbeeldingswereld te realiseren. Zij legt daarbij de klemtoon op de lijn. Met lineaire structuren houdt zij haar opvallende en bevallige kleuren gevangen. Er is enige gelijkenis met de stripkunst waarin lijnvoering telkens weer domineert. Bij de strip echter probeert de tekenaar bij elke tape de aandacht op een deelaspect van het ‘verhaal’ te leggen. Jook probeert haar ‘verhaal’ te vertellen binnen een ruimere context, binnen de ruimte van het klassieke schilderij met name. Daarom ook is haar werk, zij het digitaal, als ‘schilderkunst’ te beschouwen. Bij het zien van deze ‘schilderijen’ kan men denken aan labyrintische constructies, soms aan graffiti en zelfs heel even aan uitvergrote puzzels. Onze aandacht echter gaat meteen uit naar de soepele en bevallige, esthetiserende lijnrepresentaties zelf, een continuüm dat beeld en kleur omvat en de feitelijke ruggengraat van het plastische gebeuren is. Dit resulteert uiteindelijk in haar typische beeldvoorstelling, een beeldentaal die uit een gulle hoeveelheid figuren bestaat. Niet ten onrechte noemt Jook zichzelf een figurenkunstenaar of scherper nog, een character designer. We mogen stellen dat aan de totaliteit van haar voorstelling het surrealisme niet vreemd is en dan denk ik aan een verre verwantschap met Salvador Dali en zijn uitvloeiende figuren, aan Jean Miro met zijn bio-morfische schilderkunst en aan de ‘mobiles’ van Alexander Calder. Zij vertoeft hoe dan ook in een rijke en verscheiden fantasiewereld, een wereld van fictieve personages waarin verwijzing naar de werkelijkheid bijkomstig is en menselijke organen even vlug opdoemen als verdwijnen, een cartoonachtige wereld vol fantomen en grillige uitschieters. Uniform en toch rijk aan vorm voert zij ons als een dichteres van het beeld in een rijke verbeeldingswereld binnen. Je blijft verbaasd en verwonderd kijken. Je laat je meevoeren met de grilligheid van haar verbeeldingskracht. Haar werk betovert en is één groot decoratief en beeldend gebeuren. Zij varieert op thema’s met een groot creatief vermogen en het repetitieve karakter dat de boventoon voert in haar werk, verhoogt het esthetische genot ervan.
Hedwig Speliers